Dertig is de nieuwe vijftig: waar het geldt, hoe het rijdt en wie er al langer aan vastzat

Landbouw- en bosbouwtrekkers en de meeste zelfrijdende werktuigen waren jarenlang gebonden aan 25 km/u. Met de invoering van de kentekenplicht voor landbouwvoertuigen is daar een tweede grens bij gekomen: 40 km/u, mits het voertuig daarvoor is goedgekeurd en gekentekend.
Die 40 geldt op wegen buiten de bebouwde kom, en binnen de kom op wegen waar geen menging is met fietsers en bromfietsers. Op straten waar dat wel het geval is, blijft het lager.
De constructiesnelheid blijft altijd de bovengrens: een trekker die niet harder kán dan 25, mag ook met kenteken niet sneller.
In een straat die naar dertig is gegaan, geldt die dertig ook voor werkverkeer. Voor een trekker die 25 loopt, verandert er dus niets; voor een moderne trekker die veertig kan, wel.
De praktische winst zit in het snelheidsverschil. Landbouwverkeer en fietsers in dezelfde straat is een bekende risicocombinatie: het voertuig is breed, heeft grote dode hoeken en remt traag. Hoe kleiner het verschil met het overige verkeer, hoe minder inhaalbewegingen — en juist bij inhalen gaat het mis.
Voor bestuurders achter zo'n voertuig geldt hetzelfde als bij fietsers: op dertig levert inhalen bijna niets op en kost het veel ruimte.
Een trekker met werktuig is tot enkele meters breed en heeft rondom slecht zicht. De gevaarlijkste plek is direct naast en vlak achter het voertuig, precies waar fietsers de neiging hebben te wachten.
Houd daarom afstand bij het naderen van een kruising en ga er niet naast staan als het voertuig rechtsaf kan slaan. Een trekker draait bovendien vaak eerst iets naar links om de bocht te kunnen maken — dat lijkt op ruimte geven en is het niet.
Voor de bestuurder van het landbouwvoertuig geldt aan zijn kant hetzelfde: in een dertigstraat met geparkeerde auto's is stapvoets vaak de enige verantwoorde snelheid, ongeacht wat er op het bord staat.
Landbouwverkeer binnen de bebouwde kom komt vaker voor dan mensen denken: aan de rand van de stad, bij groenbeheer, en op routes van en naar percelen die door woonwijken lopen.
Sommige gemeenten hebben landbouwverkeer op bepaalde wegen verboden of naar een route geleid; dat staat op borden en is bedoeld om juist de smalle straten met fietsers te ontzien.
Merkt u dat een vaste route door uw straat loopt en dat het schuurt met fietsers of geparkeerde auto's, dan is dat een melding waard bij de gemeente. Bij herinrichting van een dertigstraat wordt de doorrijbreedte namelijk bewust gekozen, en zwaar verkeer is daarbij een van de factoren die meewegen.
Mobiele kranen, veegwagens, heftrucks op de openbare weg en soortgelijk materieel vallen doorgaans onder dezelfde regels als zelfrijdende werktuigen: laag begrensd, en gebonden aan de limiet van de weg.
Bij wegwerkzaamheden geldt bovendien wat de tijdelijke borden aangeven, en dat kan lager zijn dan dertig. Die borden gaan boven de zone waarin u rijdt.
En een detail dat automobilisten regelmatig verrast: een voertuig met een gele zwaailamp heeft geen voorrang. Het waarschuwt alleen dat het langzaam rijdt of breed is.
25 km/u, of 40 km/u met een geschikt kenteken en goedkeuring — maar nooit harder dan de constructiesnelheid.
Alleen op wegen zonder menging met fietsers en bromfietsers, en nooit boven de limiet van die weg.
Nee. Het waarschuwt alleen dat een voertuig langzaam of breed is.